Geplaatst in Raphaël, Ruiters van de Dood

Over Raphaël

Vandaag wil ik het over Raphaël hebben. Het personage, niet het boek. Die laatste kan ik namelijk nog helemaal niets nieuws over vertellen. Wanneer wel durf ik zo ook niet te zeggen, want Zilver heeft het volgens mij redelijk druk. Dat houden jullie dus van mij tegoed en in plaats daarvan wil ik het graag over Raphaël hebben. Waarom? Omdat het kan en omdat ik in de tijd dat ik aan Gabriël schreef met een hoop mensen over hem heb gesproken en dit heb ik met Raphaël nagenoeg niet gedaan. Niet omdat ik het niet wilde, maar omdat ik niet zo goed durfde. In het begin was ik namelijk erg druk om het personage te krijgen zoals ik wilde en daardoor werd hij “van mij” en wilde ik hem eigenlijk niet delen.

Van de jongens is Raphaël echt degene met een onschuldige ziel. Hij ziet nergens kwaad in en heeft helemaal geen filter tussen zijn hersenen en zijn mond. Op één of andere manier heeft hij de nieuwsgierigheid die Gabriël niet (meer) heeft, zelfs al is hij ouder dan Gabriël. Ik wilde dat hij iemand is die een zekere rust uitstraalt en die je makkelijk kunt vertrouwen. Raphaël is het typ waar je naast kunt zitten en gewoon je hart uit kunt storten, meestal dan. Hij is makkelijk te overtuigen en wil graag iedereen te vriend houden, maar heeft zeker een mening. Hij is alleen niet iemand die zal proberen om zijn mening over die van anderen heen te schreeuwen.

In een eerder blog heb ik volgens mij al een keer vermeld dat Raphaël heel erg aan het onderzoeken is wat hij allemaal kan. Iemand die langdurig ziek is geweest zal wanneer hij ziek wordt moeten kijken waar de grenzen liggen van wat hij kan, maar wanneer het juist iets beter gaat moeten die grenzen ook weer gevonden worden. In het boek hoeft hij dat gelukkig niet alleen te doen, maar dat betekend niet dat hij de tijd krijgt om langzaam aan te doen. Ik heb dan ook enorm veel plezier gehad met ontdekken wat hij leuk vind en wat hij bij voorkeur niet weer wil proberen. Zo heb ik een scene geschreven waar hij gaat rolschaatsen met Laura. Het leek hem leuk om te doen, maar de uitvoering ging iets minder goed. De scene waarin Laura en Raphaël daadwerkelijk op de rolschaatsbaan staan is ergens tussen de derde en vierde versie gesneuveld, maar helaas voor Raphaël kwam hij er niet onderuit om te delen met Gabriël hoe het “avontuur” hem verging.

De scene waarin de twee erover in gesprek gaan heb ik heel bewust erin laten zitten om de relatie tussen hen uit te kunnen diepen. Ze zijn namelijk zo verschillend dat ze moeite hebben om elkaar echt te kunnen vertrouwen en begrijpen. Gabriël heel van jongs af aan geleerd om op zijn informatie te zitten. Het feit dat hij ineens moet gaan praten over de technische kant van zijn “werk” voor de Dood valt hem niet makkelijk, zelfs al maakt hij er wel een spelletje van om anderen op stang te jagen met opmerkingen over de Dood.

Het vreemde is dat de twee elkaar negen van de tien keer wel aardig vinden. Gabriël probeert zelfs, op geheel eigen wijze, Raphaël af te schermen voor de minder leuke kanten. Raphaël wil het juist makkelijker voor Gabriël maken door hem te helpen en zo zitten ze elkaar behoorlijk in de weg zo nu en dan. Het was (en is) voor mij heel leuk om die beginnende vriendschap tussen de twee uit te werken en op die manier steeds weer andere personages toe te voegen die een iets langer leven beschoren zijn. Zo nu en dan werk ik aan stukken waarvan ik op voorhand al weet dat ze niet in het verhaal passen, maar het is leuk om voor mijzelf op die manier een stukje achtergrond te creëren. Het is dan ook iets waar ik waarschijnlijk niet mee op zal houden.

Advertenties
Geplaatst in Algemene berichten

Altijd al dé droombaan

Het klinkt vreemd om te vertellen dat ik altijd al heb geschreven, maar het is wel waar. Ik durf niet een eens te zeggen hoeveel mensen gedacht hebben dat het slechts een fase was, dat het vanzelf over zou gaan. Dat laatste is niet gebeurd. Mijn oma was altijd degene die al mijn verhaaltjes bewaarde. De trots van een oma zal ik maar denken. Het was voor mij indertijd genoeg om door te gaan. De verhaaltjes veranderden, maar het feit dat oma ze las niet.

Heeft oma Gabriël gelezen? Ik geloof het niet. We hebben er zeker gesprekken over gehad, want hoewel oma (zoals zoveel mensen) mij niet altijd begreep wanneer ik iets vertelde dat alleen in mijn hoofd zat luisterde ze wel. Gewoon luisteren wordt vaak onderschat, het is een hele grote reden geweest voor mij om door te schrijven. Dat is niet zo vanzelfsprekend, want er is niemand die tegen je zal zeggen “ga ervoor” wanneer je zegt dat je schrijver wilt worden. Sterker nog, er word altijd gezegd dat je beter een beroep kunt gaan leren. Ik had betaald moeten krijgen voor alle keren dat het tegen mij gezegd is, dan had ik nu op een warm eiland kunnen gaan schrijven.

In groep acht moesten we een opstel schrijven over waar we onszelf zagen over tien jaar. Dertienjarige ik (Ja dertien, niet twaalf. Ik ben een jaar blijven zitten) wilde er niet om liegen. Geen saaie kantoorbaan, geen zeven tot vijf mentaliteit. Ik zag het voor mij, drieëntwintigjarig ik. Een rijbewijs, een auto, katten en schrijven. Geen huisje, boompje, wel beestje. Vrijheid. Ik wilde schrijven, dat was voor mij dé droom.

Ja, ik heb netjes het advies van mensen om mij heen opgevolgd. Ik heb een diploma (of 2 gehaald) en ben volledig gekwalificeerd om in de zorg te werken. En toch schrijf ik, want dat is waar mijn hart ligt. Het is altijd al dé droombaan geweest…

Geplaatst in Ruiters van de Dood

Hier, maar niet hier

giphyVandaag ben ik jarig! Ik zie altijd auteurs met speciale acties komen als ze jarig zijn en kan nu al zeggen; ik ben niet één van die auteurs. Ik heb geen extra boeken meer, ik kan geen spannend nieuws delen en heb geen leuke goodies om weg te geven. Wel vind ik het leuk om berichtjes te krijgen! Mocht je dit dus lezen: Laat vooral een berichtje achter voor mij!

De afgelopen twee weken heb ik kortverhalen gedeeld, dus dat is iets dat ik nu niet wil doen. Ik ga ook geen spoilers van Raphaël of Michaël delen, dat is niet mijn ding. Waar ga ik het dan wel over hebben? Over “mijn” wereld…

Nu heb ik niet echt het recht om de wereld waarin “De Ruiters van de Dood” mijn wereld te noemen, want het speelt zich “gewoon” in deze wereld af. Toen ik begon met schrijven was ik ook van plan om het zich helemaal af te laten spelen in Groningen. Gabriël zou over de Grote Markt struinen, de woningen aan “de singels” verkennen en de Dood zou verhalen vertellen over de strijd op de Paterswoldseweg tijdens de tweede wereldoorlog. Ik was volledig van plan om het verhaal te gaan vertellen op (voor mij) bekend terrein en iets dat voor een lezer makkelijk te herkennen zou zijn.

Uiteindelijk heb ik ervoor gekozen om dat niet te doen. Waarom kan ik mij niet helemaal meer herinneren, maar als ik er nu op terug kijk zou ik hoe dan ook klem komen te zitten met de elementen die niet thuis horen in deze wereld wanneer ik dingen exact neer had gezet. De wereld waar “De Ruiters van de Dood” zich afspeelt is gelijk aan die van ons, maar ik gebruik dus geen locaties die echt bestaan. Dit maakt het voor mij makkelijker om situaties te schrijven die niet helemaal kloppen, die echte locaties niet toe zouden staan of waarvan ik echt moet weten hoe een gebouw er aan de binnenkant uit ziet. Ik vind het geen probleem om in het kader van vooronderzoek locaties te bezoeken, maar het word iets ingewikkelder wanneer het om een woning gaat.

Als ik al straten of locaties noem (zoals het Sint Josef) dan zijn dit fictieve locaties. Ergens heb ik een globaal idee van hoe de stad waar de jongens wonen eruit moet zien en het feit dat ze eigenlijk alleen maar lokaal de Dood helpen vind ik grappig. Het is ook iets wat later terug komt, want ik ben niet de enige die het grappig vind. Ik ben niet rouwig om de beslissing Groningen niet tot bombarderen tot Gabriël zijn thuisbasis, het werkt juist in mijn voordeel. Zelfs al zou ik het best leuk vinden om eens een verhaal te schrijven met mijn thuisbasis in de hoofdrol… Misschien ooit?

Geplaatst in Korte verhalen

Politiedochters

Het is een warme dag, zo warm zelfs dat het zweet over mijn rug loopt terwijl ik nog niets gedaan heb. Ik zit op de drempel van mijn huis en ben mijn skeelers aan het aantrekken. Vandaag ga ik namelijk met een groepje vinden naar het strand om af te koelen. Eigenlijk zou pap ons brengen, maar hij moest onverwacht werken. Mam moet over een half uurtje werken en daarom heb ik besloten om op skeelers te gaan. Zo’n grote afstand is het niet en mijn beste vriendin zal mij halverwege al tegemoet komen.
Met een zucht maak ik de laatste gesp vast en reik naast me om de kniebeschermers te pakken. Dat is de enige voorwaarde die mijn ouder stellen als ik wil gaan skeeleren. Ik moet mezelf goed beschermen. Dus draag ik, zelfs op een snikhete dag als deze het hele rataplan aan beschermende voorwerpen. Niet alleen knie, pols en elleboogbeschermers, maar daar ook eens een helm. Ze eisen nog net niet dat ik een kussen over mijn achterste bind, voor het geval ik daar op zal vallen.
Grinnikend schud ik mijn hoofd en zwiep mijn lange haren over mijn schouder. Om mijn pols draag ik nu nog niet de gehate beschermers, maar een elastiekje. Als ik namelijk de helm op wil zetten, dan kan ik beter mijn haren vastmaken. Het lijkt hoe dan ook beter met een helm op en met een beetje mazzel zullen de mensen in de buurt mij niet direct herkennen, ik wil namelijk gezien worden met meer bescherming op mijn lichaam dan een vierjarige die net leert fietsen.
Handig bind ik mijn blonde lokken in een slordige staart en trekt dan toch de zwarte helm over mijn hoofd. Het gespje klik ik onder mijn kin vast en begin vervolgens de elleboogbeschermers vast te maken. De polsbeschermers doe ik pas als laatst, want dat vind ik echt ondingen. Op één of andere manier heb ik altijd het gevoel dat ik er niet goed door kan bewegen, maar mijn vader houd koppig vol dat het ooit zal voorkomen dat ik iets breek. Hij ziet, vooral in de zomer, veel te veel kinderen die met skeeleren, skateboarden of een andere “halsbrekende sport” gebroken armen of benen oplopen.
Ik geloof hem wel. Als politieagent ziet hij meer afschuwelijke dingen dan de meeste mensen die elke avond naar het nieuws kijken, maar dat bekent niet automatisch dat er ook iets met mij zal gebeuren. Zo nu en dan wil ik gewoon dat ze mij een keertje loslaten, me de kans geven om mijn eigen ding te doen. Misschien wil ik wel een keer vallen en iets breken!

Met een geïrriteerd gebaar druk ik de gespen op mijn skeelers nog een keer goed aan en ga staan. Mijn zwemtas hangt al klaar aan de leuning van de veranda en ik slinger hem over mijn schouder. Het is pas op dat moment dat het tot me doordringt dat de sprinklers vandaag niet aan staan en dat het muisstil in de buurt is. Nou ja, muisstil is een groot woord want in de verte klinkt het zoemende geluid van een grasmaaier. Ik moet er niet aan denken om op een snikhete dag als deze het gras te moeten maaien. De mussen vallen zowat dood van het dak of hebben dat al gedaan, want ik hoor ze niet meer!
Ik hoor de achterdeur dicht vallen en kijk over mijn schouder. Nu heb ik niet de verwachting dat mijn vader onverwacht thuis is gekomen en me toch weg kan brengen, maar mijn beide ouders hebben de gewoonte om te controleren of ik alles wel bij me heb. Als ik nu daadwerkelijk de grootste chaoot op de wereld was zou daar een reden voor zijn, maar het gebeurd helemaal niet zo vaak dat ik iets vergeet. Het lijkt hen echter een veilig gevoel te geven en daarom sta ik het toe. Sterker nog, ik wacht totdat mijn moeder bij me staat en me de verwachtte vraag stelt: ‘Heb je alles bij je?’
‘Duhhh!’ Ik steek mijn tas even in de lucht om aan te geven dat ze met haar neus er bovenop stond toen ik mijn tas inpakte. Natuurlijk heb ik niets vergeten!
Ze glimlacht alleen maar en strijkt haar gestreepte kokerrok glad. Uiteindelijk gaat ze niet in op het feit dat mijn antwoord niet eens een woord zou zijn. Dat is een meningsverschil dat wij een aantal keer in de week hebben en die gaat ze niet winnen. “Duhhh” is zeker weten wel een woord, ze begrijpt toch haarfijn wat ik bedoel?
‘Heb je ook je telefoon bij je?’ Ik draai mijn heup naar mijn moeder toe en trek de zak van mijn korte broek iets verder open. Ze kijkt erin en kan ongetwijfeld de telefoon zien, maar toch zeg ik voor de zekerheid: ‘Tuurlijk. Mag ik nu gaan? Ashley wacht op me.’
Ze glimlach naar me en ik zie dat ze in een flits nog even bekijkt of ik alle “noodzakelijke” bescherming wel om heb gedaan. Heel even denk ik erover om er een opmerking over te maken, maar ik weet dat zoiets me uiteindelijk alleen maar meer tijd gaat kosten. Ik kan beter mijn mond dicht houden, dan laat ze me zo wel gaan. Na een moment zegt mijn moeder dan ook: ‘Is goed lieverd. Zorg je wel dat je rond half acht weer thuis bent? Pap is van plan om de barbecue aan te steken.’
Ik ben al halverwege de oprit, maar steek toch nog een hand op om te zwaaien. ‘Ja, is goed! Tot vanavond!’
Mijn moeder zwaait terug en terwijl ik de straat door skeeler hoor ik haar nog roepen: ‘Wees voorzichtig Kayleigh!’

De wind behoord verkoelend te zijn, maar is nu slechts extra benauwend. Ik probeer dan ook zoveel mogelijk in de schaduw te skeeleren. Het is al bijna twee weken erg warm en hoewel ik dat wel lekker vind verlang ik op hetzelfde moment ook wel naar regen. Niet te lang of teveel, maar gewoon een avondje zodat het weer een beetje af zou koelen.
Bij “Gerda’s Tuin” stop ik even om op adem te komen en om op Ashley te wachten. De “tuin” is eigenlijk niet meer dan een parkeerplaats met een gigantische palm in de berm. Toen ik klein was woonde er een dakloze vrouw bij de palm en zij noemde zichzelf Gerda. Daardoor waren wij het Gerda’s Tuin gaan noemen en hoewel de oude, verwarde vrouw al jaren weg was werd het nog steeds zo genoemd.
De palm geeft een klein beetje schaduw en daar maak ik dankbaar gebruik van. Ashley staat erom bekend dat ze niet in staat is om op tijd te komen. Ik daarentegen lijk niet in staat om ergens te laat aan te komen. Zelfs al probeer ik dat en dat zorgt er altijd weer voor dat ik minimaal tien minuten op mijn beste vriendin moet wachten. Na een paar minuten pak ik dan ook mijn telefoon en stuur haar een Sms’je. “Je gaat weer te laat komen :-P”
Echt niet! Ik ben alleen mijn bikini kwijt! *paniek* Maar ik kom echt niet te laat deze keer!” Het antwoord komt zo snel dat mijn scherm niet eens de kans krijgt om op bespaarstand te springen. Ik kan me Ashley’s paniekerige blik voorstellen en lach dan ook zacht terwijl ik terug stuur: “Als je te laat bent ga ik zonder je hoor…”
Deze keer lijkt antwoord uit te blijven en ik stop mijn telefoon dan ook weer terug in mijn zak. In gedachten kan ik Ashley kasten overhoop zien halen op zoek naar haar bikini, aangespoord door mijn dreigement dat ik zonder haar ga. Het is die gedachte die een grijns op mijn gezicht brengt en ik leun op mijn ellebogen achterover terwijl ik naar een camper kijk, die net de parkeerplaats op komt rijden. Achter het stuur zit een man van middelbare leeftijd en hij lijkt behoorlijk geïrriteerd. De jongen naast hem is iets ouder dan ik gok ik zo en maakt verhitte gebaren. Blijkbaar zijn de twee het ergens niet over eens.

Gezellig hé? Vakanties met het hele gezin! De gedachte schiet door mijn hoofd op het moment dat de camper hortend en stotend voor mijn voeten tot stilstand komt. Ik ben zo blij dat mijn vader niet langer probeert om het hele gezin in een camper te proppen gedurende een zomervakantie. Op één of andere manier had dat nooit uitgepakt zoals hij had verwacht. Dat het niet zo leuk was als gedacht werd hadden de twee mannen in de camper voor mij nu vast ook ontdekt.
De zoon maakte een sussend gebaar en gooide het portier open. Hij stapt uit, stopt zijn handen diep weg in de zakken van zijn lange broek en komt lichtelijk ongemakkelijk op me af lopen. ‘Hey, ben je toevallig bekend hier? Pa en ik kunnen de camping niet vinden…’
Hij kijkt me glimlachend aan en ik kan niet anders dan terug glimlachen. Toch blijf ik diep van binnen de dochter van een agent en vraag ik lichtelijk wantrouwend; ‘Hebben jullie geen GPS?’
‘Nee, pa vind dat als je gaat kamperen dat je het ook goed moet doen. –hij lacht ongemakkelijk- We navigeren nog net niet op de sterren, maar we hebben wel een kaart in de camper. Misschien wil je er even naar kijken?’ Hij gebaard naar de smalle deur en ik aarzel. Mijn vader zou zo trots op mij zijn dat mijn eerste gedachte meteen is dat dit wel eens foute boel kan zijn. Niet dat ik meteen het slechtste denk, maar ik ben niet zo dom om meteen achter in de camper te kruipen. Sterker nog, ik vraag fronsend: ‘Kun je de kaart niet pakken? Dan vertel ik waar we nu zitten en hoe je vader het beste kan rijden om bij de camping te komen.’
De jongen kleurt en zwijgt. In mijn broekzak vibreert mijn telefoon, maar ik haal hem er niet uit. Ashley kan wel even wachten. Vlak naast mij haalt de jongen nu zijn handen uit zijn zakken en trekt de deur van de camper open. Hij gebaard naar binnen en grinnikt ongemakkelijk terwijl hij zegt: ‘Dat kan niet. Hij viel aldoor naar beneden, dus hebben we hem aan de wand vastgeplakt.
Ik leun iets opzij en zie dat het inderdaad zo is. Daarom haal ik mijn schouders op en zegt met een lach op mijn gezicht: ‘Dan hoop ik dat je vader het niet erg vind om sporen in zijn vinyl te krijgen, want ik trek mijn skeelers niet uit…’
Hij lacht en steekt een hand uit om me overeind te trekken. Zijn hand omvat die van mij stevig en vlak voordat hij me overeind trekt knipoogt hij naar me en zegt op samenzweerderige toon: ‘Dat vertellen we hem gewoon niet.’

Ik lach, maar op het moment dat ik een voet optil om de camper in te stappen veranderd mijn lach abrupt in een gil. De jongen heeft mij namelijk een duw gegeven en ik klap met mijn helm tegen een klein aanrecht in de kamper. Als ik die niet op had gehad, dan was ik vrijwel zeker meteen bewusteloos geweest. Nu beland ik in een rare houding op mijn buik en probeer mij zo snel mogelijk om te draaien. Ik haal diep adem en gil weer. Mijn vader zegt altijd dat je zoveel mogelijk strijd moet leveren, dan is de kans groter dat iemand iets ziet namelijk.
‘Zorg ervoor dat ze haar mond houd!’ gromt de man voorin de auto, maar ik neem niet de moeite om naar hem te kijken. In plaats daarvan schop ik de jongen in zijn maag en kom half overeind. Mijn handen klem ik om de deurpost heen terwijl de jongen achteruit struikelt en probeer mezelf verder overeind te trekken.
Ik sta nog maar net weer op mijn eigen benen, of de jongen zijn lichaam word tegen dat van mij geperst. Ik open mijn mond om weer te gillen, maar op dat moment klemt hij zijn hand over mijn mond en duwt mij weer achterover. Op wieltjes is het toch een stuk ingewikkelder om tegenstand te bieden en ik beland plat op mijn rug op de harde vloer. Toch blijf ik me verzetten en probeer mezelf los te worstelen.
‘Hier, geef haar een paar van deze!’ De man voorin de auto steekt een potje uit naar de jongen die bovenop mij zit en dat is het moment waarop ik een arm weet te bevrijden. Ik sla het potje uit zijn hand en het volgende moment regent het pillen door de camper. Ze vallen kletterend op de vloer, maar besteed er geen aandacht aan. Met mijn vrije hand probeer ik iets te pakken te krijgen om de jongen mee te slaan, maar vind helemaal niets.
Daarom probeer ik mijn nagels in de jongen zijn gezicht te zetten. Als ze mij dan al mee gaan nemen om god weet wat te doen, dan zal ik zeker laten weten dat hij er iets mee te maken heeft! Hij lijkt mijn gedachten te kunnen lezen, want hij haalt zijn hand van mijn mond en slaat mij in mijn gezicht. Hard!

Versuft blijf ik liggen en in die tijd dwingt de jongen een paar pillen in mijn mond en knijpt mijn neus dicht terwijl hij er water achteraan giet. Ik ben gedwongen om het door te slikken en voel hoe de donkerharige jongen zijn handen over mijn lichaam laat glijden. Uiteindelijk vist hij alleen mijn telefoon uit mijn broekzak en gooit hem achteloos de camper uit. Pas op het moment dat ik weer probeer om overeind te komen richt hij zijn aandacht weer op mij.
‘Nee’ Het komt er veel minder sterk uit dan dat ik in de planning had staan. Mijn hoofd bonk, maar toch probeer ik weer overeind te komen. De jongen gooit de deur dicht en grijpt een rol tape uit één van de bedden. Hij buigt zich over mij heen en plakt mijn polsen aan elkaar, waarna hij afzakt naar mijn benen. Met een paar onhandige bewegingen werkt hij mijn voeten uit de skeelers en ik kan voelen hoe hij mijn vlees kneust.
Ondertussen is de camper in beweging gekomen en ik kan de tranen in mijn ogen voelen branden. Dit kan mij niet overkomen! Dit gebeurt altijd bij anderen. Ik moet los zien te komen, ze kunnen me onmogelijk vasthouden. Gedachten schieten in een razend door mijn hoofd en ik voel me misselijk worden. Inmiddels is er weer tape over mijn mond geplakt, dus ik hoop dat ik niet ga kotsen. Dat zou mijn einde betekenen, daar ben ik van overtuigd.
Gelukkig rijdt de auto niet lang genoeg om me echt te laten breken. Hij is ook niet lang genoeg in beweging om de pillen daadwerkelijk effect te laten hebben. Waar we ook zijn, het kan niet ver van mijn eigen huis zijn. Van de buurt die ik ken. Dat lijken zij ook te beseffen, want de jongen trekt een kussensloop over mijn hoofd voordat hij me weer rechtop zet en de deur opent.
‘Gras,’ instrueert hij me terwijl hij me de camper uit sleept en ik struikel over de oneven grond. Hoe kunnen ze dit op klaarlichte dag doen? Er moet toch iemand zijn die het zit? Iemand die zal proberen om ze tegen te houden. Iemand die de politie zal waarschuwen. Zijn stem breekt door mijn gedachten op het moment dat hij zegt: ‘Trap, vier treden.’
Ik tast voorzichtig vooruit en voel het ruwe hout onder mijn blote voet. Bewust de boel vertragend zoek ik nog even door, maar dat accepteert zijn vader niet. Ik krijg een ruwe duw tegen mijn rug en struikel weer. Mijn scheenbeen raakt de volgende trede en pijn schiet door mijn been omhoog. Naast mij sluit de jongen zijn hand iets strakker om mijn bovenarm. Hij doet het waarschijnlijk om te zorgen dat ik niet op mijn neus val, maar het doet zeer. Morgen zal ik onder de blauwe plekken zitten. ‘Naar binnen met haar!’
Aan de andere kant grijpt een nog grotere hand mijn bovenarm en ineens raken mijn voeten de vloer niet meer. In een aanzienlijk sneller tempo word ik de korte trap opgetild en een huis in. Ze zetten me pas weer neer op het moment dat we binnen zijn, want ik voel tapijt onder mijn voeten. De kussensloop word van mijn hoofd getrokken en ik knipper tegen het plotselinge licht. Voordat ik de omgeving echter in mij op kan nemen word ik door de vader gegrepen en de kelder in gesleurd.
Hij doet het licht aan, ondanks dat ik me weer los probeer te vechten en duwt me de trap af.
Ik mis een paar treden, maar dat lijkt de man niet te boeien. Hij houdt pas op met mij duwen op het moment dat we beneden zijn en dat is alleen om mij een goed beeld van mijn toekomst te geven. Een open grafkist met daarachter nog drie grafkisten.
Mijn hart lijkt even stil te blijven staan, maar voordat ik de kans krijg om iets constructiefs door de tape te schreeuwen duwt de man mij alweer naar voren. Alle vier de kisten zijn van onbehandeld, blank hout. Ze zijn allemaal even lang en even breed. Identiek, met een stukje gaas over een vierkantje waar het gezicht zou komen te liggen.
Ik probeer naar achteren te stappen, maar de man staat het niet toe. Schijnbaar zonder moeite tilt hij me op en legt me in de open kist. Ik schud mijn hoofd, iets waar ik plots heel duizelig van word en de man word even wazig. Hij trekt mijn helm van mijn hoofd en rukt vervolgens de tape van mijn mond. Ik kan een kreet van pijn niet onderdrukken en kijk toe hoe de man zich over mij heen buigt. ‘Je bent nu van mij. Denk je dat ze jou wel zullen vinden?’
Zijn duim glijd over mijn wang en ik draai abrupt mijn gezicht weg. Hij lacht en vouw zijn vinger om de klep van de kist. ‘Tot morgen, misschien…’
Met die woorden sloeg hij de kist dicht en ik hoorde hoe hij het dichtmaakte. ‘Je kunt dit niet doen!’
Ik roep de woorden, maar hoor dat de man al bij mij vandaan loopt. Dat houdt me niet tegen en hete tranen glijden over mijn gezicht. ‘Dit kun je niet maken! Je moet mij laten gaan! Ze vinden me toch wel!’
De kelderdeur slaat dicht en ik krimp in elkaar van het geluid. Het is ineens wel erg donker, want hij heeft de lamp ook weer uit gedaan. Alsnog roep ik hem na: ‘Mijn vader is een politieagent!’
‘Die van mij ook.’
‘Mijn vader ook.’
‘Mijn pappa is ook agent…’

Geplaatst in Algemene berichten

Wedstrijdfaalangst

Wedstrijden. Schrijfwedstrijden om iets specifieker te zijn, want ik ben niet het type om aan een hardloopwedstrijd of iets dergelijks mee te doen. Ik volg altijd met interesse hoe ze opgezet worden, wie er meedoen, de jury. Ik neem de tijd om de voorwaarden te lezen, wat de deadline is en brainstorm over ideeën. Zo nu en dan begin ik daadwerkelijk te schrijven en doe vervolgens helemaal niets met het verhaal.

Er zit voor mij nogal een drempel op om mee te doen aan wedstrijden. Schrijven is schrappen en dat is iets dat ik zeker begrijp, maar ik heb moeite om een volledig verhaal neer te zetten in verhalen waarbij een bepaald aantal woorden toegestaan is. Meestal schrijf ik het hele verhaal en ga vervolgens overbodige woorden schrappen. Ik verbouw zinnen en probeer op één of andere manier alles te laten werken. Vaak loop ik daar op vast. Hoe meer er sneuvelt, hoe minder gelukkig ik word met een verhaal. Wanneer ik dan wel zover kom dat ik op het juiste aantal woorden uitkom, dan is de drempel om het verhaal te versturen zo hoog dat ik het niet verstuur.

Noem het faalangst, noem het wat je maar wil. Het resultaat is hetzelfde; het verhaal word niet verzonden. Ik ben één van die auteurs die niet meedoet aan wedstrijden. Niet omdat ik mijzelf beter vind, maar juist omdat ik een absoluut respect heb voor schrijvers die wel meedoen. Een verhaal schrijven is een prestatie. Een verhaal bewerken is een prestatie. En een verhaal opsturen ter beoordeling is net zo goed een prestatie.

Het is een prestatie die mij negen van de tien keer niet lukt. Ik doe dus al jaren niet meer mee aan wedstrijden. Ik vind het leuk om ernaar te kijken, maar eraan meedoen is blijkbaar niet voor mij weggelegd…

Geplaatst in Ruiters van de Dood

Mijn favorieten

En het is weer maandag, dus tijd voor een blog. Iets later dan dat het normaal is, maar dat mag de pret niet drukken. Vandaag wil ik het hebben over personages waar ik aan gehecht ben. Technisch gezien staat het op de lijst als “mijn favoriete personage uit mijn eigen werk”, maar toen ik er iets beter over nadacht bedacht ik mij dat het waarschijnlijk slimmer is om het over personages te hebben waar ik gehecht aan ben. In de Ruiters is het voor mij namelijk slimmer om geen favoriet personage te hebben, want er zijn maar weinig personages die vaker terug komen in het verhaal.

Nu geef ik eerlijk toe dat er in Raphaël een paar personages zitten die “blijvend” zijn, maar op hetzelfde moment nemen we ook afscheid van een paar personages die nog overeind stonden aan het eind van Gabriël. Wanneer je kijkt naar het onderwerp waar ik over schrijf is dat eigenlijk helemaal niet vreemd, maar gedurende de serie introduceer ik (naast de Dood en zijn jongens) toch een aantal terugkerende personages. Hier ben ik verdekt in deel één al mee begonnen en ga ik rustig mee verder. Terugkerende personages betekend dat ik sommige karakters iets verder uit kan werken, of er een achtergrondverhaal bij kan verzinnen en dat vind ik leuk. Ik ben iemand die altijd meer over en personage weet dan dat ik vertel en juist de dingen die in het verleden van een personage gebeurd zijn maken ze voor mij echt. Door terugkerende personages te hebben in de serie geef ik mijzelf de ruimte om dingen uit te werken (op papier en niet alleen in mijn hoofd) en daardoor hecht ik mij ook iets sneller aan personages.

Welke personages ben ik aan gehecht?

Natuurlijk is er één waar ik wel aangehecht moet zijn, zelfs al is hij bij tijd en wijlen best een eikel… De Dood. Hij is de reden dat de serie begonnen is en één van de weinige personages die niet kan verdwijnen. Zoals ik eerder al een keer vermeld heb is de serie begonnen met één van zijn wijsneuzerige opmerkingen over God zijn parkieten (te vinden in Gabriël, hint hint, nudge nudge) en vanaf daar was er eigenlijk geen weg meer terug in het karakter van dit personage. Deze “man” is egocentrisch en merkt eigenlijk alleen op wat hij op wil werken. Hij heeft een kort lontje en is heel erg goed in staat om wrok vast te houden. Hij heeft het allemaal al gezien en gedaan, maar begrijpt lang niet alles en dat is iets dat hem juist zo leuk maakt om te schrijven. Zijn relatie met Gabriël is (op zijn zachtst gezegd) gespannen, maar ze hebben een geschiedenis die ze onherroepelijk met elkaar verbind. In Raphaël neem ik de ruimte om daar meer over te vertellen, want Raphaël is nieuwsgierig genoeg om er gewoon naar te vragen en de Dood is iemand die zichzelf graag hoort praten 😉

Op nummer twee staat voor mij Mevrouw Ramses. Voor wie zich haar niet kan herinneren, het is de dementerende vrouw die Gabriël naar huis helpt. Ze is altijd onderweg en altijd bezig met iets. Waar ze naar onderweg is weet ze zelf de helft van de tijd niet, maar het is altijd met de beste intenties. Ze was de beste vriendin van Gabriël zijn oma en is één van de weinigen die zich zijn bestaan kan herinneren, wat op een bepaalde manier best ironisch is. Ze herinnert zich hem alleen als een kleine jongen en net als haar man herkende ze de (bijna) volwassen Gabriël niet, maar voor hem doet dat er niet toe. Hij vind het prettig om tijd met haar door te brengen, zelfs al is het moeilijk omdat ze vrij snel van streek kan raken. Haar reacties op dingen en verhalen die ze kan vertellen uit de periode dat zijn oma nog leefde geven hem een soort rust. Voor mij is zij een prettig personage om over te schrijven, misschien wel omdat ze niet alles meer op een rijtje heeft. Ze is dan ook één van de personages die terug keert in Raphaël.

En dan komen we aan bij de nummer drie en dat is voor mij een personage dat in Gabriël nog niet echt naar voren is gekomen. Ik heb haar wel vermeld, maar in niet bij naam (voor zover ik mij kan herinneren) en meer in “horen/zeggen” situaties. Op dit punt kan ik ook nog niet helemaal uitleggen waarom zij in de top drie thuis hoort voor mij, maar ik vermeld haar wel. Mevrouw Fontaine. Uri haar grootmoeder en de vrouw die Gabriël zijn appartement aan hem verhuurd. Van haar kun je meer lezen in Raphaël en in de latere delen. Dit is een vrouw waar ik langzaam meer over ga vertellen en misschien dat jullie het uiteindelijk wel met mij eens kunnen zijn dat ze één van de leukere personages is.

Maar aangezien jullie haar nog niet kennen ben ik toch wel nieuwsgierig: Wat is jouw favoriete personage op dit moment?

Geplaatst in Korte verhalen

Verraad

Dit verhaal heb ik waarschijnlijk ooit voor een wedstrijd geschreven. Ik schrijf wel vaker verhalen voor wedstrijden, maar negen van de tien keer stuur ik het verhaal niet op omdat ik bang ben. Momenteel doe ik eigenlijk helemaal niet meer mee aan wedstrijden, maar dit verhaal heb ik nog steeds op mijn USB staan. Ik heb het bewaard met het idee er ooit op uit te gaan breiden, maar weet niet of het ooit gaat gebeuren. Zouden jullie hier meer  van willen lezen?

 

Mijn hart hamert in mijn borstkas en sneeuw waait in mijn ogen. Alsnog kan ik mezelf er niet toe zetten om stil te blijven staan. Mijn gedachten gaan nog sneller dan mijn hartslag en er is één woord dat in mijn oren blijft echoën. Dat ene woord brengt het gezicht van mijn beste vriend naar boven en heel even lijkt mijn hart stil te blijven staan.
Waar ik angst had verwacht, was er een uitdrukking op zijn gezicht te zien die ik niet kon benoemen. Ik had hem gered! Die auto had hem zeker geraakt, maar ik heb een fout gemaakt. Ik heb mezelf verraden. Ik heb iedereen verraden!
Loup-garou… De vloek, een zege en uiteindelijk een zekere dood.
Sneeuw knerpt onder mijn poten, maar ik vertraag mijn tempo niet. Ik moet hier weg! Ik moet zo ver mogelijk bij Caine vandaan, maar kan nergens heen. Als ik naar huis ga verraad ik iedereen, de jager zal mij weten te vinden. Een jager maakt geen onderscheid tussen mijn soort en de andere, de menseneters. Ik zal vermoord worden, net als mijn ouders.
Geheel onverwacht verlies ik mijn grip op een stuk ijs. Het meer is stijf bevroren en ik klap met mijn volledige gewicht op het ijs. Alle lucht word uit mijn longen geslagen en ik kan mezelf er niet toe zetten om te bewegen. Daarom blijf ik op het ijs liggen en sluit mijn ogen om nogmaals af te spelen waarom ik nu precies mijn eigen doodvonnis getekend heb.

Mijn adem condenseert meteen in de lucht en ik ren dan ook zo snel als met de gladheid mogelijk is richting de weg. Een brede lach breekt door op mijn gezicht als ik Caine in het oog krijg. Het is een lange, brede jongen met donkere haren die voor het mooie net iets te lang zijn. Zijn bruine ogen twinkelen altijd alsof hij een lach verbergt en hij weet altijd wel iets te doen om verveling te verdrijven. Op het moment dat hij mij in het oog krijgt verschijnt er ook op zijn gezicht een lach.
Hij zwaait en maakt zichzelf los van zijn auto om op mij af te lopen.
Het is dat moment dat een auto slippend de bocht om komt. Hij rijdt veel te hard en gaat in een razend tempo op mijn beste vriend af. Ik schreeuw zijn naam en zie vertraagd hoe zijn ogen groot worden van schrik als hij zich omdraait. Hij gaat het niet redden. Er is geen enkele manier waarop hij op tijd aan de kant kan springen. De remmen van de auto maken een gierend geluid en op dat moment neemt mijn instinct het over. Ik denk niet, maar doe alleen.
Ik neem een aanloopje en spring. Terwijl ik spring kom ik hoger dan een normaal mens zou kunnen en ik strek mijn vingers terwijl ik mijn lichaam helemaal lang maak. Het duurt slechts twee tellen, maar alle botten in mijn lichaam verschuiven en veranderen. Er is geen gekraak en geen pijnlijk gevoel zoals ze in films wel beschrijven. Alleen het gevoel van bevrijding op het moment dat ik mijn ware aard naar boven laat komen.
Als ik weer op de grond sta kan ik voelen dat ik meer grip heb. Ik kan de aarde onder mijn poten voelen vibreren, dwars door de sneeuw heen en weet precies wat ik moet doen. Ik trek een sprintje, sneeuw vlieg door de lucht en voor de tweede keer maak ik een sprong. Deze keer niet om een transformatie te ondergaan, maar om tegen mijn beste vriend aan te springen. Ik raak hem in zijn zij, slechts seconden voordat de slippende auto hem zou hebben geschept en we vliegen samen de berm in.
We vallen niet hard en de poedersneeuw blijft in mijn roodbruine vacht kleven. Ik kan de kou niet voelen, maar schud me wel uit voordat ik naar Caine kijk. Zijn paniek kan ik me maar al te levendig voorstellen, maar het lijkt eeuwen te duren voordat hij in beweging komt. Is hij gewond? Heb ik hem per ongeluk vermoord? Heeft de auto hem toch geraakt voordat ik hem aan de kant duwde?
De vragen volgen elkaar in een razend tempo op en mijn hartslag versneld. Ik doe een paar stappen naar voren en snuffel aan zijn haren. Als hij dood is zou dat makkelijk te ruiken zijn. De dood ruikt zuur, maar zo ruikt Caine absoluut niet en op het moment dat mijn neus lichtjes in contact komt met zijn oor schiet hij overeind.
Angst had ik verwacht, maar in zijn ogen zie ik iets dat ik niet echt kan benoemen. Het is geen woede en geen paniek. Als ik niet beter zou weten zou ik het haast verraad willen noemen, maar ik heb hem zeker weten niet verraden noch bedrogen. Ik heb slechts iets verzwegen wat alles tussen ons zou kunnen veranderen.

Loup-garou!’ Dat was precies was Caine had gezegd, op precies dezelfde toon en met bijna exact dezelfde stem. Weerwolf. Het enige woord dat nu over de kleine open plek weerklonk en hoewel ik weet dat het tegen mij is kan ik mezelf er niet toe zetten om te reageren. Ze hebben me snel gevonden, maar eigenlijk zou dat me niet moeten verbazen.
Pootafdrukken in de sneeuw, krassen van klauwen in bomen en zelfs het verliezen van haren kan ons verraden als er daadwerkelijk een jager in de buurt is. Het is een risico dat we niet willen en kunnen nemen. En uitgerekend ik ben zo dom geweest om midden op de dag te transformeren!
Een jager maakt geen onderscheid tussen mijn soort, de Symbiot en het soort dat op mensen jaagt, de Carr. Ze beweren dat ze slechts de mensheid beschermen, maar zo hebben wij het nog nooit gezien. Iedereen van mijn soort in het dorp is wel iemand verloren door toedoen van een jager en hoewel een roedel meestal bestaat uit familieleden, leidt oma een roedel van verbonden zielen.
Ian is zijn vrouw verloren aan een jager. Sarah en David hun twee kinderen toen ze slechts tieners waren. Geer is nog steeds zo van streek dat hij niet eens kan vertellen wie hij precies verloren is, maar oma denkt dat hij iedereen kwijt is geraakt. Benjen en ik zijn onze ouders verloren tijdens een inval van jagers. Onze ouders en de gehele roedel van mijn moeder. We hebben alleen oma nog en eigenlijk moet ik blij zijn dat we haar hebben kunnen vinden.
Ze nam mijn broer en mij in huis en nu heb ik haar doodvonnis getekend. Dit heb ik uitgeroepen over de roedel terwijl ik juist de volgende alfa had moeten worden. Als de enige vrouwelijke wolf die een verwantschap heeft met de huidige Alfa zal ik mijn grootmoeder moeten opvolgen.
In tegenstelling tot bij de mensen zijn het de vrouwen die de baas zijn in een wolvenroedel. Bij de mensen zorgt de man ervoor dat de naam voort blijft bestaan, maar tussen de wolven delen de vrouwen toch echt de lakens uit. Oma is de Alfa van onze roedel en normaal gesproken gaat dat over van moeder op dochter. Oma had één zoon en dat was mijn vader.
Mijn moeder heeft nooit zo’n hoge rang gehad. Ze behoorde bij de rangen die ervoor zorgen dat de roedel veilig blijft. De eerste linie van verdediging zeg maar. Het was haar taak (en die van mijn vader) om ervoor te zorgen dat een jager nooit dichtbij zou komen. Daar zijn ze niet in geslaagd en daardoor moet ik nu de volgende Alfa worden. Dat is geen keuze.
Ik denk niet dat ik er ooit bewust voor zou kiezen om de Alfa te worden. Het is namelijk een verantwoordelijkheid die me angst aanjaagt, hoewel ik dat nooit tegenover mijn familie toe zal geven. Als ik ook maar enig teken van zwakte vertoon kan ik verstoten worden door de roedel, zij verwachten een sterke leider en nemen geen genoegen met minder.
Ik beweeg mijn kop om de gedachten weg te jagen en meteen klinkt er naast mij hard gelach. ‘Ahh! Kijk Caine, er zit toch nog leven in! Wees blij dat je dit mee kunt maken, een rood loeder is bijzonder zeldzaam. Je eerste is bijzonder, die zul je altijd onthouden!’
Het eerste dat ik zie is een hamer en geen gewone. Het is één blok metaal met een eveneens metalen steel. Hij is helemaal gegraveerd met tekens die ik niet kan herkennen en in de diepe groeven lijkt bloed gekoekt te zitten. Een man, die de hamer vast heeft draait hem verlangend rond in zijn hand en ik voel mezelf ineens misselijk worden.
Een herinnering krabbelt aan de muren in mijn hoofd en ik moet mezelf dwingen om op te staan. Ik wil niet weten waarom zich juist nu herinneringen aandienen die de afgelopen jaren goed verborgen zijn geweest, maar die keuze lijk ik niet te hebben. Terwijl ik me omdraai naar de man kijk ik op en recht in zijn rode masker. Het is alsof hij reeds met de hamer naar mij heeft uitgehaald, want alle lucht lijkt mij te verlaten. Ik ben niet in staat om te bewegen en staar als een bange pup naar de brede man. Ineens sta ik weer in het huis van mijn ouders en kan zelfs de brandlucht in mijn neus voelen prikken.

Mamma heeft mij midden in de nacht uit bed gehaald en via een raam aan de zijkant van het huis naar buiten gezet. Ik heb geschreeuw gehoord van beneden en mamma heeft gezegd dat het pappa was, die probeert het vuur te doven. Ik moet buiten wachten en zij zal Benjen halen, samen moeten we naar het huis van de Alfa. Zij zal weten wat er moet gebeuren.
Ik sta op mijn blote voeten in het vochtige gras, maar mamma komt niet meer. Pas op het moment dat ik het geluid van brekend glas hoor ben ik naar de voordeur gelopen om ze te roepen. Misschien kunnen ze in de rook de weg niet meer vinden. Ik roep ze en duw de voordeur verder open. Die staat op een kiertje en op het moment dat ik hem verder open komt er een grote grijze rookwolk naar buiten. Ik moet hoesten en mijn ogen beginnen meteen te tranen, mijn stem klinkt vreemd en niet als die van mij op het moment dat ik mamma roep.
Vanuit de rook komt er een schaduw op mij af, groter dan mamma. Denkend dat het pappa was stap ik naar voren. Mijn voet raak iets en ik blijf staan om naar beneden te kijken. Een hand klemt zich om mijn enkel en pas op dat moment herken ik mijn broer. Ik slaak een gil en stap naar achteren. De schaduw komt nog steeds op mij af en ik realiseer me dat het niet pappa is.
Het is een man zonder naam, een hamer in zijn vuist. Hij is nu zo dichtbij dat er slechts een fijne nevel tussen hem en mij hangt. Ik kan zijn gezicht niet zien, maar zie wel dat hij de druppende hamer omhoog brengt. Het is alsof mijn hart stil blijft staan en ik doe nog een stapje naar achteren. Benjen’s hand glijd van mijn enkel en ik kijk toe hoe de man zich over mijn broer heen buigt. Hij brengt de hamer nog verder omhoog, klaar om uit te halen en het is dat moment dat ik me besefte dat het een jager is. Dat mijn familie aangevallen word.
De hamer is al in beweging om mijn broer te raken en op dat moment springt mijn moeder over mij heen. Ik herken haar rode vacht in een flits en de grote man valt achterover. De hamer laat hij vallen en ik hoor mijn broer schreeuwen op het moment dat de hamer hem raakt en die schreeuw zorgt ervoor dat ik mij weer kan bewegen.
Ik hoor mijn moeder grommen en uithalen naar de man, maar probeer er vooral niet naar te kijken. In plaats daarvan pak ik mijn broer onder zijn armen en probeer hem naar buiten te slepen. Het lukt niet, hij is te groot of ik te klein. Het lukt niet!

Het lukt niet! Terwijl ik het denk spring ik overeind en het is dat moment dat de hamer het ijs vlak naast mij raakt. Stukjes vliegen in de rondte en ik draai me om naar de man. Zijn silhouet is nog steeds hetzelfde en ik kan mijzelf wel voor het hoofd slaan dat ik de jager niet eerder heb herkend. Hij trekt de hamer weer uit het ijs en kijkt met een haast genietende grijns naar mij.
Ik voel mijn bovenlip omkrullen en ik grom naar de man, naar Caine zijn vader. Mijn staart zakt weg tussen mijn achterpoten en ik zak iets omlaag. Het is een verdedigende positie en mijn blik gaat van de man, naar zijn zoon.
Caine staat een paar meter verderop, bijna verscholen tussen de bomen en een herinnering knaagt aan me. In een flits zie ik een kleine jongen, maar iets groter dan ikzelf. Zijn gezicht licht op door het brandende huis en ik probeer te beslissen of ik mijn broer alleen tegen de grote man moet beschermen of ook tegen hem. Het is Caine!
Caine was erbij toen mijn ouders vermoord werden. Toen zijn vader mijn roedel uitmoordde om niets! Hij was erbij en nu leven ze al jaren tussen ons zonder dat we elkaar herkend hebben. Hij heeft toegekeken hoe mijn ouders werden vermoord en nu gaat hij toekijken hoe zijn vader mij vermoord. En dat na jaren van vriendschap…
Naar hem kijken gaat je niet helpen juffie, jij gaat zijn eerste zijn!’ De stem breekt door mijn gedachten en ik kijk weer naar de man. De aarde trilt onder mijn poten en vanuit het niets begint het ineens harder te sneeuwen. De sneeuw was voorspeld, maar de trilling onder mijn poten had ik alleen op kunnen hopen. Die trilling kan mijn redding zijn, het betekent dat de roedel eraan komt.
De hamer suist weer door de lucht, maar deze keer komt hij niet op mij af. Caine vangt de hamer met gemak op en ik kan de verwachting van zijn vader gewoon ruiken. Van mijn beste vriend krijg ik een heel ander signaal. Hij wil hier niet zijn en hij wil zeker niet degene zijn die mijn hersenen inslaat met een hamer waar waarschijnlijk het bloed van mijn familie nog aangekoekt zit in de groeven.
Ik schuif nog iets verder opzij, zodat ik ze beide tegelijk in de gaten kan houden. Ik grom weer naar de twee mannen en op het moment dat Caine een stap naar voren doe snauw ik naar hem. Snauwen is verdedigend tussen de wolven. Een manier om te laten weten dat je niet wilt vechten, maar dat je ook niet over je heen zult laten lopen als het zover zal komen. Oma noemt het blaffen in een grom en daar lijkt het ook wel op.
Het zorgt ervoor dat Caine blijft staan en op dat moment komt Benjen tussen de bomen door stormen. Hij rent met de wind mee en de sneeuw zorgt ervoor dat zijn geur nog verder gedragen wordt dan normaal. Ik kan niet allen hem, maar ook de rest van oma’s roedel ruiken. Het zal niet lang duren voordat iedereen hier is en misschien dat de twee jagers afgeschrikt zullen worden door ons aantal.
Benjen komt slippend naast mij tot stilstand en zet meteen een hoge rug op om zichzelf groter te laten lijken. Hij krult zijn bovenlip om en gromt naar de jagers. Caine doet een stap naar achteren, maar zijn vader lijkt nog groter te worden en een sardonische grijns doet zijn lippen omhoog krullen. ‘Nou, nou… Misschien toch niet zo zeldzaam, die rode krengen. Met twee vellen kan ik een mooi kleed maken voor in de woonkamer.’
Naast mij zakt mijn broer door zijn poten en het volgende moment duikt hij op de jager af. Die heeft de actie overduidelijk verwacht, want hij vangt hem op bij zijn schouders en gooit hem aan de kant. Benjen beland met een klap op het ijs en ik kan hem horen piepen van pijn. Caine’s vader heeft de hamer inmiddels weer in zijn eigen handen en loopt op mijn broer af.
Er is geen enkele twijfel over wat hij gaat doen en ik kan alle spieren in mijn lichaam voelen spannen. Achter mij komt oma met de roedel tussen de bomen door, maar zij kunnen niets voor Benjen doen. Ze zijn slechts een roedel wolven in de striemende sneeuw. Dit is allemaal mijn schuld.
Ik denk er verder niet over na en spring. Caine roept een waarschuwing naar zijn vader en dat zorgt ervoor dat hij zich half naar mij heeft omgedraaid op het moment dat ik hem raak. Zijn hoofd raakt met een krakend geluid het ijs en zijn hamer raakt mijn schouder. Niet hard, maar hard genoeg om mij uit te laten halen. Ik hap en mijn tanden zinken moeiteloos weg in zijn strot.
Het bloed spuit eruit en ik trek mij verwilderd terug. De man probeert de wond af te dekken met zijn handen, maar helpt niet. Hij valt terug op het ijs en strekt één hand uit naar Caine. Ik kijk op, maar Caine schud alleen zijn hoofd en wijkt achteruit. Hij zal zijn vader niet komen helpen.
De man zal dit gevecht hoe dan ook verliezen en het duurt niet lang voordat hij stuiptrekkend op het ijs ligt. Ik kan het bloed nog op mijn tong proeven. Het is voorbij, alles is voorbij. Het leven van de jager en mijn leven zoals ik het heb gekend. Ik heb bloed geproefd en dat is iets dat ik niet zal vergeten. Ik zal ervoor worden verbannen uit de roedel. Een bliksemschicht splijt wolken en in de verte klinkt de donder. Ik hef mijn kop op naar de grijze lucht en huil. Achter mij doet de roedel precies hetzelfde.
Ze huilen met mij, ze huilen voor mij…

Geplaatst in Algemene berichten

Schrijven met katten

Laatst heb ik op facebook gevraagd wat voor onderwerpen mensen graag willen zien op het blog. Iemand zei “Schrijven met katten” en dat leek mij op zich wel een leuke. Ik heb hem bewaard voor wanneer ik mij een keer niet zo denderend voel, want wie houd er nu niet van een goede kattenfoto? Ik ben nogal vermoeid momenteel, dus dingen lopen niet helemaal lekker… En het grote voordeel van dit onderwerp is dat ik nooit ver hoef te zoeken voor een foto van een kat, want ik ben de trotse mamma van twee “furbabies.”

Dat gezegd hebbende heb ik één kat die graag in de weg zit en die het af en toe vrij ingewikkeld kan maken om daadwerkelijk te schrijven. Papier? Moet ik op zitten! Laptop? Tussen jou en de laptop in natuurlijk! Er is niet echt een middenweg, hij moet erbij zijn. En dergelijke acties van mijn mooie rode jeweetwelkater laten zich het beste omschrijven met foto’s. Daarom is dit waarschijnlijk het kortste bericht ooit, maar een foto is duizend woorden waard. Hier komen vierduizend woorden 😉

Deze slideshow heeft JavaScript nodig.

Geplaatst in Algemene berichten

Schrijven is doorgaan

Schrijven is één van die beroepen dat je moeilijk in groepsverband kan doen. Ik zeg niet dat mensen het niet proberen, maar ik voeg er ook aan toe dat het mij niet gezellig lijkt om met een groep laptops aan tafel te zitten en bang te moeten zijn om je thee om te stoten. Voor mij is dat waarschijnlijk één van de dingen die van schrijven een redelijk eenzaam beroep maakt. Je zit aan tafel (of in mijn geval op de bank) en werkt aan een verhaal dat zich grotendeels nog steeds in je hoofd afspeelt. Het is niet iets dat je makkelijk kunt delen met anderen zonder er al snel te veel over te vertellen en dat kan er ook heel snel voor zorgen dat je ontmoedigd raakt. Je gaat je dood staren op dingen die eigenlijk helemaal niet zo belangrijk zijn en dan komt het punt; stoppen of doorgaan?

Het is die splitsing die ervoor kan zorgen dat een concept in een bak beland en je er de komende tien jaar niets mee doet. Ik moet eerlijk zeggen dat ik zo’n map op mijn USB heb staan. Allemaal documenten op een rij, als een kerkhof van verhalen waarbij ik door de bomen het bos niet meer kon zien. Alsnog ben ik wel gehecht aan het verhaal dus dat geen echt nergens heen, maar ik kan mezelf niet toe zetten om er nog aan te werken. Dat is waarschijnlijk één van mijn grootste valkuilen, opgeven. Het idee dat de documenten er nog zijn en dat ik op elk willekeurig moment het schrijven weer op kan pakken moet de impact wat verminderen, maar dat doet het niet. Het zijn opgegeven projecten. Verdoemd om eindeloos op een USB te staan en nooit het daglicht weer te zien.

Zelf vind ik dat vervelend. Ik ben iemand die af wil maken waar ik aan begonnen ben, hoe moeilijk ik dat ook vind. Toch is het een valkuil waar ik met regelmaat in ben gaan staan en waar ik nu echt op probeer te letten. Schrijven is onderaan de streep doorgaan, zelfs wanneer je het niet meer ziet zitten. Dat is een punt dat je altijd zal bereiken in een project en het zal zich zeker niet limiteren tot schrijven alleen. Voor 2019 is het één van mijn doelen om projecten af te maken. Ik ben in januari begonnen met schrijven aan Michaël en mijn doel is om hem af te ronden dit jaar. Als het even lukt wil ik door Valen haar verhaal afronden en ik wil in ieder geval halverwege een ebook zijn dat ik voor Ameno RPG aan het schrijven ben.

Hoe ik wil voorkomen dat ik gedemotiveerd raak? Niet eigenlijk. Ik wil mijzelf erop voorbereiden dat het gaat gebeuren en er gewoon dwars doorheen werken. Hoe ik dit wil gaan doen? Ik heb een aantal “leuke scenes” die later in het verhaal thuis horen, die ik mag schrijven wanneer ik echt niet verder kan. Ook mag ik mezelf belonen met kleine dingetjes die ik onder andere omstandigheden gewoon zou bestellen wanneer ik bepaalde doelen haal. Dit geeft mij iets om naartoe te werken en een oplossing wanneer ik geen opening meer zie in wat ik op dat moment schrijf. Ik hoop dat het werkt en op dit moment zie ik het wel positief in. Het echte evalueren gaat aan het einde van het jaar komen, maar tot die tijd werk ik rustig verder. Eerst aan Michaël, daarna aan Valen en één dag in de week schrijf ik aan het ebook. Een beetje afwisseling kan nooit kwaad denk ik.

Fingers crossed!

Geplaatst in Algemene berichten

Uitslag van de facebook poll

Hé Marc, je moet even op de facebook pagina van “De Ruiters” kijken,’ zei ik tegen mijn broertje en zag de argwanende frons al verschijnen. Hij klikte nog een paar dingen aan in zijn spel voordat hij zuchtte en vroeg: ‘En waarom?’

Omdat je even naar een poll moet kijken. Er staat er één op, maar de stand is gelijk en nu heb ik dus nog geen antwoord. Jij gaat de beslissende stem zijn…’ En daar gaat een sceptische wenkbrauw omhoog. Heb ik al een keer vermeld dat mijn broertje zijn gezicht vrij expressief is? Hij hoeft soms niet eens hardop te zeggen wat hij eigenlijk van een bepaald onderwerp vind. Zijn gezicht spelt het nog net niet uit zeg maar.

Met enige moeite gaat hij uit zijn spel en opent facebook, waarschijnlijk voor de eerste keer dit jaar als ik zo naar de hoeveelheid meldingen kijk… Hij zoekt de pagina op en scrolt naar beneden totdat hij de poll heeft gevonden. Weer ging die wenkbrauw omhoog. De eerste redacteur die zegt dat mensen dat echt niet zo vaak doen moet een keer een dag met mijn broertje doorbrengen, dat ding geeft nog net geen dansles. ‘En hoe moet ik dit zien?’

‘Als twee opties waar je één van uit kunt kiezen…’
Geïrriteerd geluid.
Oké, niet te veel treiteren dus.
Onschuldig kijken, misschien helpt het!
‘Het onderwerp waar jij liever over zou willen lezen zeg maar.’

Het bleef stil. Nu heb ik gehoord dat je mensen soms de tijd moet geven om na te denken voordat je antwoord kunt verwachten, dus ik dacht iets nieuws te proberen. Ik wachtte het af. Een zeldzaamheid, want ik heb er een handje van om hem gewoon plat te lullen. Dus ik wachtte netjes af, zegt hij ineens: ‘Schrijven is doorgaan. Die ander mag ik al eeuwen naar luisteren, dat weet ik nu wel… Het is een goede hint, wie weet leer je nog iets nieuws van jezelf.’

Als iemand ooit vraagt naar het moment waarop ik enigst kind werd, dit was het moment…

Nee, niet echt. Ik mag van mijn moeder hem niets aandoen… Ik kiep hem gewoon weer een keer van de bank af als hij niet kijkt. Mijn wraak zal zoet zijn! [insertevillaugh] Maar er is een onderwerp gekozen voor het blogbericht van vandaag en was het doel. Waar gaan we het maandag over hebben? Schrijven is doorgaan.

En omdat het kan: Nog even een willekeurige foto van mij en mijn broertje!

10256200_744521618920792_4720575093255677888_n